Schrift in Uitvoering
+ + Oude Testament + Deuterocanonieke boeken + Nieuwe Testament
Exodus
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40
Ex. 2
2:1 Er ging een man uit het huis van Levi 1)
en nam [tot vrouw] een dochter 2) van Levi.
2 Die vrouw werd zwanger,
zij baarde een zoon
en ze zag: hij was goed [geschapen]! 3)
Ze verborg hem drie maanden.
3 Toen zij hem niet langer verbergen kon,
nam ze voor hem een kistje 4) van biezen, 5)
ze streek het dicht met leem en pek,
legde het kind er in
en legde het neer in het riet 6) aan de oever van de Stroom.
4 Zijn zuster stelde zich van verre op
om te weten wat er met hem zou gebeuren.
5 De dochter van Farao daalde af naar de Stroom om te baden.
Haar meisjes liepen heen en weer langs de kant van de Stroom.
Ze zag het kistje midden in het riet
en ze stuurde haar slavin erheen om het te pakken.
6 Ze deed het open en ze zag hem, het kind:
Zie, het was een huilend jongetje.
Ze kreeg medelijden met hem en zei:
Dit is een kind van de Hebreeën.
7 Zijn zuster zei tegen de dochter van Farao:
Zal ik voor u een zogende vrouw gaan roepen
van de hebreeuwse vrouwen,
die het kind voor u kan zogen?
8 De dochter van Farao zei tegen haar:
Ga!
Toen ging die jonge meid 7)
en ze riep de moeder van het kind.
9 De dochter van Farao zei tegen haar:
Ga, neem dit kind met je mee
en zoog het voor mij.
Je loon, dat zal ík je geven.
De vrouw nam het kind mee en zoogde het.
10 Het kind werd groot
en zij bracht hem naar Farao's dochter.
Hij werd haar tot zoon.
Zij gaf hem de naam: 'Mozes'.
Ze zei: 'Want ik heb hem uit het water omhoog getrokken' 8).
11 Het geschiedde in die dagen 9),
toen Mozes groot was geworden,
dat hij naar buiten ging naar zijn broeders.
Hij zag hun lasten.
Hij zag hoe een egyptische man
een hebreeuwse man, een van zijn broeders, neersloeg.
12 Hij wendde zich naar hier en naar daar,
hij zag dat er niemand was
en sloeg de Egyptenaar neer.
Hij stopte hem weg onder het zand.
13 Hij ging de volgende dag naar buiten,
en zie, daar waren twee hebreeuwse mannen aan het ruziën.
Hij zei tegen degene die de schuld had:
Waarom sla jij je makker?
14 Hij zei:
Wie heeft jou tot hoofdman en rechter over ons aangesteld?
Wou je mij soms ombrengen,
zoals je die Egyptenaar hebt omgebracht?
Mozes schrok en zei [bij zich zelf]:
De zaak is vast en zeker bekend geworden!
15 Farao hoorde van die zaak.
Hij trachtte Mozes om te brengen.
Mozes vluchtte weg voor Farao
en kwam in het land Midjan te zitten.
Hij zat neer bij een waterput.

16 Nu had de priester van Midjan zeven dochters.
Zij kwamen water scheppen.
Ze vulden de drinkbakken
om de kudde van hun vader te drenken.
17 Toen kwamen er herders die hen wilden verjagen.
Mozes stond op, bevrijdde hen [van de herders]
en drenkte hun kudde.
18 De vrouwen 10) kwamen bij Reüel hun vader terug en die zei:
Waarom zijn jullie vandaag zo vlug thuisgekomen?
19 Zij zeiden:
Een egyptische man heeft ons gered uit de handen van de herders!
Bovendien heeft hij met vaart 11) water geschept
en de kudde gedrenkt.
20 Hij zei tegen zijn dochters:
Waar is hij dan?
Waarom hebben jullie die man daar achtergelaten?
Roep hem om brood te eten!

21 Mozes bewilligde erin om bij die man te blijven
en die gaf zijn dochter Sippora aan Mozes.
22 Zij baarde een zoon
en hij gaf hem de naam: 'Gersjom' 12)
Want, zo zei hij:
'Ik ben gastvreemdeling geworden in het buitenland.'

23 13) En het geschiedde in die vele 14) dagen,
dat de koning van Egypte stierf,
maar de kinderen van Israël zuchtten, vanuit hun slavendienst,
zij schreeuwden,
en hun gejammer steeg op tot God, vanuit hun slavendienst.
24 God hoorde hun gekreun.
God gedacht zijn verbond met Abraham, met Isaak en met Jakob.
25 God zag de kinderen van Israël
en God kende ...

1vertaling door Karel Deurloo
2Of : de dochter. Zie daarvoor en voor de onjuiste vertaling van de NBV Exodus 6:13-24 . Voor kritische notities bij vers 1-10 zie mv. J. Potter, Middelburg, onder Exodus 2, www.bijbelvertalen.nl.
3Vgl. voor deze constructie Genesis 1:3, waarnaar door de midrasj wordt verwezen. Vgl. o.a. de Verdeutschung Buber Rosenzweig: 'wohlbeschaffen'.
4teva, leenwoord, ook nog gebruikt voor de ark van Noach.
5gomè. Het lexicon [Koehler] legt een volksetymologisch verband met het verbum 'verslinden'.
6'riet', soef, vgl. sof, een associatie met de Rietzee?
7Wellicht wordt hier niet toevallig het woord alma (afgeleid van à-l-m, verbergen) gebruikt.
8Dit verbum alleen nog in 2 Sam. 22:17 = Psalmen 18:17 . De naam Mozes is daarvan een participium qal: Die uit het water omhoog trekt (Vgl. de rol van Mozes bij de Rietzee).
9Niet 'in die tijd' [NBG '51], een uitdrukking die overigens in de bijbel nog vaker voorkomt dan 'in die dagen'.
10Hebr. 'ze', 3e pers. mv. vr., dus zonder Mozes.
11'met vaart', weergave van de Inf. Energicus.
12'Vreemdeling-Daar'
13De verzen 23-25 zijn veeleer de inleiding tot het verhaal van Mozes' roeping en moeten in de schriftlezing zeker bij hoofdstuk 3, waarin naar deze passage 'verwezen' wordt, voor het goede begrip klinken. Zie wat de NBV van deze thematische, poëtische regels maakt en hoe significante herhaling werd weggelaten.
14'vele': en weer een dag en weer een dag in slavernij! Dat verandert niet nu er in Egypte een nieuwe periode begint. Dat woordje mag beslist niet wegvertaald worden.