Schrift in Uitvoering
+ + Oude Testament + Deuterocanonieke boeken + Nieuwe Testament
Exodus
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40
Ex. 32
32:7 JHWH zei tegen Mozes: 1)
Ga, daal af,
want je volk dat je hebt doen opgaan uit het land Egypte heeft het bedorven.
8
(Wel heel) snel zijn ze afgeweken van de weg
die ik hun bevolen had:
ze hebben zich een stierkalf gemaakt, drijfwerk 2),
ze hebben zich ervoor neergeworpen
hebben er slachtoffers aan gebracht
en gezegd:
“Dit, Israël, zijn je goden 3)
die je hebben doen opgaan uit het land Egypte”.

9 JHWH zei tegen Mozes:
Ik heb dit volk gezien
en ziedaar, het is een halsstarrig 4) volk.
10
Nu dan, laat me!
dan zal mijn toorn tegen hen ontbranden
ik zal ze verslinden
maar van jou maak ik een grote natie 5).
11 Mozes echter trachtte het gelaat van zijn god te vermurwen.
Hij zei:
Waarom, JHWH, zou je je toorn laten ontbranden tegen je volk
dat je hebt doen uittrekken uit het land Egypte
met grote kracht en sterke hand?
12
Waarom zou Egypte 6) kunnen zeggen:
“Te kwader trouw heeft hij hen doen uittrekken
om hen om te brengen in de bergen
om een eind aan hen te maken
weg van het gelaat van de aardbodem”?
Keer je af van je brandende toorn
heb berouw van het kwaad (bedacht) voor je volk.
13
Denk aan Abraham, Isaak en Israël, je dienstknechten
aan wie je gezworen hebt bij jezelf
en tot wie je gesproken hebt:
“Ik zal jullie nageslacht talrijk maken
als de sterren aan de hemel
en heel dit land waarvan ik gezegd heb:
‘Ik zal het aan jullie nageslacht geven’
ze zullen het voor altijd als erfdeel hebben”.

14 En JHWH kreeg berouw van het kwaad
dat hij gezegd had zijn volk te zullen doen.

1vertaling door Kees van Duin
2Het begrip masseká wordt meestal vertaald met ‘gegoten beeldÂ’. Volgens Dohmen (TWAT IV, 1009vv.) moet echter gedacht worden aan ‘pletwerkÂ’ of ‘drijfwerkÂ’: een houten kern wordt bekleed met een laagje edelmetaal
3C. Houtman pleit in zijn recente Exodus-commentaar voor vertaling met een enkelvoud. Niet terecht, mijns inziens. Hier (en in 1 Koningen 12 ) zal de oudtestamentische auteur bewust het ‘niet-passende’ meervoud gebruikt hebben
4Dit begrip keert in deze hoofdstukken (Ex 32 – 34) nog terug in 33:3,5 en 34:9. En in de echo Dt 9:13
5goj. Vgl. Dt 9:14 en Num 14:12
6De meeste vertalingen, ook al de LXX, ook Buber/Rosenzweig, vertalen hier (en elders in Exodus) mitsrájim met de Egyptenaren. De meervoudige werkwoordsvorm lijkt daartoe hier (en elders) uit te nodigen. Toch is het de vraag of dat correct is. Immers, het Hebreeuws van het OT heeft een eigen woord voor de Egyptenaren: hammitsríem. (Opvallend genoeg komt dat nergens in Exodus voor!) Dat mitsrájim blijkens de meervoudige werkwoordsvorm gevoeld wordt als een meervoudig begrip geeft nog niet het recht tot vertalen met de Egyptenaren. Een vergelijkbaar geval is kol-basáar, een enkelvoudig begrip dat wel als meervoudig wordt gevoeld en dan ook soms een meervoudige werkwoordsvorm bij zich heeft. Bijvoorbeeld in Ps 65:3; Ez 21:4 (Ned. vert. 20:48); 21:10 (Ned. vert. 21:5)