Schrift in Uitvoering
+ Oude Testament + Deuterocanonieke boeken + Nieuwe Testament
Ester
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
Est. 2
Mordechai en Ester
2:1 Na deze gebeurtenissen, 1)
toen de woede bij koning Ahasveros gezakt was,
dacht hij aan Wasti,
wat zij had gedaan
en wat over haar besloten was.
2 Toen zeiden de jongelingen van de koning,
die hem dienden:
Laat men voor de koning meisjes zoeken,
maagden,
die er goed uit zien.
3
Laat de koning ambtenaren aanstellen
in alle gewesten van zijn koninkrijk
om elk meisje dat maagd is
en er goed uit ziet,
te brengen in de burcht Susan,
in het vrouwenhuis,
onder de hoede van Hegai,
de hoveling van de koning,
de bewaker der vrouwen.
En om haar schoonheidsmassages te geven.
4
Het meisje dat goed zal zijn
in de ogen van de koning,
zal koningin worden in plaats van Wasti.
Dit woord was goed in de ogen van de koning
en zo deed hij.
5 Nu was er een Joodse man in de burcht Susan,
zijn naam was Mordechai,
zoon van Jair, zoon van Simi, zoon van Kis,
een Benjaminiet.
6 Hij was als balling weggevoerd uit Jeruzalem
met de ballingen die weggevoerd waren
samen met Jechonja de koning van Juda,
die Nebukadnessar, de koning van Babel,
als balling had laten wegvoeren.
7 Hij was de pleegvader van Hadassa - dat is Ester -
de dochter van zijn oom.
Zij had geen vader en moeder meer.
Het meisje was mooi van gestalte,
zij zag er goed uit.
Bij de dood van haar vader en moeder
had Mordechai haar als zijn dochter aangenomen.
8 Het geschiedde
toen het woord van de koning werd gehoord
en zijn wet,
en men veel meisjes bijeen bracht in de burcht Susan
onder de hoede van Hegai,
dat ook Ester werd meegenomen naar het huis van de koning
onder de hoede van Hegai,
de bewaker der vrouwen.
9 Het meisje was goed in zijn ogen;
zij kwam bij hem in de gunst.
Hij haastte zich haar de schoonheidsmassages
en haar dieet te geven
en haar uit het huis van de koning
zeven aanzienlijke meisjes te geven.
Hij bracht haar met haar meisjes
naar het beste deel van het vrouwenhuis.
10 Ester had niets verteld over haar volk en haar afkomst,
want Mordechai had haar geboden
dat niet te vertellen.
11 En iedere dag opnieuw
wandelde Mordechai langs de voorhof van het vrouwenhuis
om te weten hoe het met Ester was
en wat met haar gedaan zou worden.
12 De meisjes nu kwamen een voor een aan de beurt
om bij koning Ahasveros te komen
aan het eind van de twaalf maanden
dat aan haar geschied was volgens de wet voor vrouwen.
Want zo werden vervuld de dagen van haar massages:
zes maanden met mirre-olie
en zes maanden met balsem
en met andere massages voor vrouwen.
13 Hiermee kwam het meisje tot de koning
en al wat ze zei, werd haar gegeven
om mee te nemen uit het vrouwenhuis
naar het huis van de koning.
14 's Avonds kwam zij
en 's morgens keerde zij terug
naar het tweede vrouwenhuis,
onder de hoede van Saäsgaz,
de hoveling van de koning,
de bewaker der bijvrouwen.
Zij kwam niet nog eens bij de koning,
tenzij de koning haar wenste
en zij bij name werd geroepen.
15 Toen nu Ester
de dochter van Abichaïl, de oom van Mordechai
die haar als dochter had aangenomen,
aan de beurt was om bij de koning te komen,
verlangde zij niets anders dan wat Hegai,
de hoveling van de koning
de bewaker der vrouwen, zei.
Het geschiedde dat Ester genegenheid verwierf
in de ogen van allen die haar zagen.
16 Zo werd Ester meegenomen naar koning Ahasveros
naar het huis van zijn koningschap
in de tiende maand, dat is de maand Tebet,
in het zevende jaar van zijn koningschap.
17 De koning kreeg Ester lief boven alle vrouwen.
Zij verwierf genegenheid en kwam bij hem in de gunst
boven alle maagden.
Hij zette de diadeem van het koningschap op haar hoofd
en maakte haar koningin in plaats van Wasti.
Het feestmaal van Ester.
18 De koning richtte een groot feestmaal aan
voor al zijn vorsten en dienaren:
het Feestmaal van Esther.
Hij vaardigde amnestie uit voor de gewesten
en gaf geschenken zoals bij een koning past.
19 Toen nu de overige maagden werden verzameld,
zat Mordechai in de poort van de koning.
20 Ester had haar afkomst en haar volk niet bekend gemaakt
zoals Mordechai haar had geboden.
Ester deed naar het bevel van Mordechai,
zoals het was toen zij nog bij hem werd opgevoed.
21 In die dagen,
toen Mordechai in de poort van de koning zat,
zijn Bigtan en Teres,
twee hovelingen van de koning, uit de dorpelwachters,
verbitterd geraakt
en zij trachtten de hand te slaan
aan koning Ahasveros.
22 Mordechai kwam de zaak te weten
en meldde het aan Ester, de koningin.
En Ester zei het aan de koning
in naam van Mordechai.
23 De zaak werd onderzocht en (juist) bevonden.
Die twee werden opgehangen aan een boom.
Het werd opgeschreven
in het boek van de dagelijkse gebeurtenissen
in aanwezigheid van de koning.

1vertaling door Jopie Siebert-Hommes