Schrift in Uitvoering
+ + Oude Testament + Deuterocanonieke boeken + Nieuwe Testament
1 Koningen
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22
1Kon. 17
17:7 Het geschiedde na verloop van tijd 1)
dat de beek opdroogde
want er was geen regen in het land.
8 Het woord van JHWH kwam tot hem:
9
Sta op
ga naar Sarefat dat bij Sidon hoort
en verblijf daar.
Zie, ik heb daar een vrouw, een weduwe, geboden
jou te onderhouden.
10 Hij stond op
en ging naar Sarefat.
Hij kwam bij de ingang van de stad
en zie, daar was een vrouw, een weduwe,
aan het hout sprokkelen.
Hij riep haar aan en zei:
Haal toch voor mij een beetje water in een kruik
zodat ik wat te drinken heb.
11 Zij ging het halen.
Hij riep haar na en zei:
Haal toch voor mij een stuk. brood
12 Zij zei:
Zo waar JHWH leeft, jouw God,
als ik maar een broodkoek had!
Voorwaar, alleen een handvol meel in de pot
en een beetje olie in de fles.
Zie, ik ben bezig een paar houtjes te sprokkelen.
Dan kom ik het voor mij en mijn zoon klaarmaken.
Wij zullen het opeten en sterven.
13 Elia zei tot haar:
Vrees niet.
Kom, maak [het] klaar zoals je gezegd hebt.
Maar maak daarvan eerst voor mij een kleine broodkoek
en breng die naar buiten tot mij.
Voor jou en je zoon kun je het daarna klaarmaken.
14
Voorwaar, zo zegt JHWH de God van Israël:
De pot met meel zal niet opraken
en de kruik met olie zal niet afnemen
tot de dag waarop JHWH regen zal geven
op het oppervlak van de akker.
15 Zij ging
zij maakte klaar naar het woord van Elia
en zij at
hij en zij en haar huis dagen[lang].
16 De pot met meel raakte niet op
en de kruik met olie werd niet minder
naar het woord van JHWH
gesproken bij monde van Elia.
Elia en de Sunnamitische
17 Het geschiedde zo na deze gebeurtenissen: 2)
de zoon van de vrouw, de vrouwe des huizes, 3)werd ziek.
Het geschiedde zo: zijn ziekte werd zeer ernstig
er bleef geen levensadem in hem over.
18 Zij zei tot Elia:
Wat heb ik met jou te maken, man Gods! 4)
Je bent tot mij gekomen om [mij] eraan te herinneren dat ik schuldig ben 5)
en mijn zoon te laten sterven.
19 Elia zei:
Geef me je zoon.
Hij nam hem van haar schoot
bracht hem naar boven naar het bovenvertrek waar hij verblijf hield
en legde hem neer op zijn bed.
20 Hij riep tot JHWH en zei:
JHWH mijn god
doet u zelfs de weduwe bij wie ik als gast vertoef onheil
door haar zoon te laten sterven?
21 Hij strekte zich driemaal over het kind uit.
Hij riep tot JHWH en zei:
JHWH mijn god
doe toch de levensgeest van dit kind in zijn binnenste terugkeren.
22 JHWH gaf gehoor aan de stem van Elia
en de levensgeest keerde in het lichaam van het kind terug.
Het leefde!
23 Elia nam het kind op
bracht het uit het bovenvertrek naar beneden het huis in
en gaf het aan zijn moeder.
Elia zei:
Zie, je zoon leeft.
24 De vrouw zei tot Elia:
Nu weet ik dat jij een man van God bent 6)
en dat het woord van JHWH in je mond betrouwbaar is.

17-16 vertaling door Jopie Siebert-Hommes
217-24 vertaling door Evert van den Berg
3Hier wordt de vrouwelijke vorm van 'de heer des huizes' gebruikt.
4zie ook het commentaar, beschikbaar onderaan de pagina als u bent ingelogd
5Letterlijk: om mijn schuld in herinnering te brengen, maar deze vertaling kan aanleiding geven tot een letterlijke interpretatie (geldschuld).
6Hier heeft het Hebreeuws niet het 'neutrale' 'ish ha elohim' (letterlijk man van de godheid), zoals in vs. 18, maar het specifieke 'ish elohim (man van God). De eerste uitdrukking is de gebruikelijke (51x in Koningen), de man van God treedt behalve hier op in 1 Koningen 13:1, waar Jerobeam inzake de oprichting van gouden kalveren te Betel en Dan tot de orde wordt geroepen, in 2 Koningen 1:10, waar Elia zich tot een officier van Achazja van Israël richt, en 2 Koningen 4:9 waar de Sunammitische vrouw tot Elisa spreekt. In 1 Koningen 17 lijkt het onderscheid tussen man gods en man van God theologische betekenis te hebben: in vs. 18 is de toon van de vrouw afstandelijk, verwijtend, in vs. 24 spreekt zij een geloofsbelijdenis uit.