+ + Oude Testament + Deuterocanonieke boeken + Nieuwe Testament
1 Samuël
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31
1Sam. 19
19:10 Toen probeerde Saul David met de speer aan de wand te spietsen,
maar hij ontsnapte aan Sauls aanschijn,
zodat de speer de wand trof
en David kon die nacht vluchten en ontkomen.
11 Saul zond boden naar het huis van David om hem te bewaken
en in de morgen ter dood te brengen.
Michal, zijn vrouw, meldde het aan David, ze zei:
Als je je deze nacht niet weet te redden,
ben je morgen dood.
12 Michal liet David door het venster naar buiten afdalen;
hij ging, vluchtte en ontkwam.
13 Michal nam een beeld en legde dat op het bed;
een vliegennet van geitenhaar legde ze aan het hoofdeinde ervan
en ze bedekte het met een kleed 1).
14 Saul zond boden om David gevangen te nemen.
Ze zei:
Hij is ziek!
15 Saul zond de boden om David in het zicht te houden, hij zei:
Breng hem op in zijn bed naar mij – met het doel hem te doden.
16 De boden kwamen:
Kijk aan! Het beeld op het bed
en het net van geitenhaar aan het hoofdeinde ervan!
17 Saul zei tegen Michal:
Waarom heb je mij zo bedrogen
en mijn vijand ervandoor laten gaan zodat hij ontkwam?
Michal zei tegen Saul:
Hij was het, hij had tegen mij gezegd:
Laat mij gaan, waarom moet ik je doden?

1kleed: Hebr. בֶגֶד. Dit woord komt ook voor met een andere betekenis: ‘verraad’, ‘bedrog’ of ‘ontrouw’ ( Jes. 24,16 ; Jer. 12,1 ). Deze betekenis zou hier mede een rol kunnen spelen. Z. ook wat Saul met een ander werkwoord in v. 17 tegen Michal zegt: ‘je hebt mij bedrogen.’