+ + Oude Testament + Deuterocanonieke boeken + Nieuwe Testament
Marcus
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 58 %
Mar. 6
6:1 En 1) hij ging weg vandaar,
hij komt 2) in zijn vaderstad,
en zijn leerlingen volgen 3) hem.
2 En toen de sabbat geschiedde 4)
begon hij onderricht te geven in de synagoge,
en velen die dat hoorden waren verslagen 5),
ze zeiden:
Waar heeft deze dit vandaan,
en wat is dit voor wijsheid die hem gegeven is 6),
en zulke machtsdaden 7) die door zijn handen geschieden 8)…?!
3
Is dit niet de timmerman,
de zoon van Maria
en de broer van Jakob en Joses en Juda en Simon?!
Zijn ook zijn zussen niet hier bij ons?!
Zij struikelden over hem 9).
4 Toen zei Jezus tegen hen:
Een profeet is nooit zonder eer 10)
behalve in zijn vaderstad 11),
bij zijn verwanten en zijn huisgenoten.
5 En hij was niet bij machte 12) daar een machtsdaad 13) te doen, geen enkele —
behalve voor een paar zwakkeren,
die hij de handen oplegde
en genas.
6 En hij verwonderde zich over hun ongelovig wantrouwen...
Hij maakte een rondgang door de dorpen in de omtrek
en gaf er onderricht.
7 Hij 14) riep de twaalf bij zich
en begon hen uit te zenden, twee aan twee,
en gaf hen gezag over de onreine geesten
8 hij gebood hen niets mee te nemen op weg
behalve alleen een staf:
geen brood, geen rugzak, geen geld op zak
9 wel sandalen aandoen,
maar: trek niet twee onderkleden aan!
10 En hij zei tot hen:
waar je ook maar een huis binnengaat
houd daar verblijf tot je vandaar weer weggaat;
11
als een plek jullie niet ontvangt
en ze niet naar jullie horen:
wanneer je daar vandaan trekt,
schudt dan het stof af dat onder je voeten zit
hen tot een getuigenis.
12 En ze vertrokken
en verkondigden dat men zich zou omkeren;
13 ze wierpen vele demonen uit,
zalfden vele zieken met olie
en behandelden (hen).

30 Dan 15) komen de uitgezondenen (weer) samen bij Jezus.
En zij brachten hem bericht over alles,
zowel wat zij gedaan, als wat zij geleerd hadden.
31 Hij zegt tot hen:
Komen jullie afzonderlijk toch mee naar een eenzame plek
om enigszins tot rust te komen.
Want het was een komen en gaan
van velen die daar waren.
En ze hadden zelfs geen gelegenheid om te eten.
32 Per schip vertrokken ze naar een eenzame, afgezonderde plaats.
33 Omdat zij hen zagen heengaan, beseften velen (het)
en te voet liepen ze uit alle steden daarheen
en kwamen er vóór hen.
34 Toen hij uitstapte zag hij een grote menigte
en hij werd met erbarmen over hen bewogen,
want zij waren als schapen, die geen herder hebben.
En hij begon hun veel te leren.
35 Toen het al laat geworden was,
kwamen zijn leerlingen naar hem toe en zeiden:
Het is hier een woeste, eenzame plaats en het is al laat;
36
laat hen toch heengaan,
dat zij in de velden en de dorpen van de omtrek
hun eigen inkopen doen om iets te kunnen eten.
37 Maar Jezus antwoordde en zei tot hen:
Geven jullie hun te eten
Zij zeggen hem:
Zullen wij er dan op uitgaan
om voor tweehonderd denariën brood te kopen,
zodat we hun te eten zullen geven?
38 Maar hij zegt hun:
Hoeveel broden hebben jullie?
Ga dat bezien!
En dat wetende zeggen ze:
Vijf en twee vissen.
39 Hij gebood hun allen zich neer te leggen
voor een feestmaal, ja een feestmaal in het groene gras. .
40 En zij gingen zitten in groepen van honderd en vijftig.
41 Hij nam dan de vijf broden en de twee vissen,
en opziende naar de hemel, dankte hij en brak de broden
en gaf ze aan zijn leerlingen om ze hun voor te zetten
en de twee vissen verdeelde hij over allen.
42 Zij aten allen en werden verzadigd.
43 Aan brokken raapten ze
een volheid van twaalf draagmanden op,
ook van de vissen.
44 En die van de broden gegeten hadden waren vijfduizend man.
45 En 16) onmiddellijk overreedde hij de leerlingen
aan boord van het schip te gaan
en vooruit te varen naar de overkant,
tot aan Bethsaïda 17)
terwijl hij zelf de menigte heenzond.
46 Nadat hij afscheid van hen genomen had,
ging hij de berg op
om te bidden.
47 En toen het avond was geworden
was het schip midden op het meer
en hij was alleen op het land.
48 En ziende
dat zij zich aftobben om vooruit te komen
want ze hadden de wind tegen
gaat hij rond de vierde nachtwake
naar hen toe,
wandelend op het meer
en wil hen passeren.
49 Wanneer zij hem echter zien
wandelend op het meer,
denken ze dat hij een geestverschijning is,
en schreeuwen het uit.
50 Want allen zijn verbijsterd hem te zien.
Maar meteen spreekt hij met hen en zegt hen:
Houdt moed, ik ben het,
vreest niet.
51 En hij klom bij hen in het schip
en de wind ging liggen,
en zij verbaasden zich bovenmate; 18)
52 Want ze hebben niets verstaan van de broden,
maar hun hart is verhard geworden.
53 En toen ze waren overgestoken
kwamen ze aan land bij Gennésareth
en gingen voor anker.
54 En toen ze uit het schip kwamen
herkenden ze hem onmiddellijk.
55 En zij spoedden zich
door die hele streek
en begonnen diegenen
die er slecht aan toe waren
op matrassen heen te dragen
naar waar ze hoorden dat hij was.
56 En waar hij ook binnenkwam,
in een dorp of in een stad
of op een veld,
op de marktplaatsen,
plaatsten zij de zieken
en smeekten hem of zij
ook maar de kwast van zijn mantel
zouden mogen aanraken;
en zovelen hem aanraakten,
werden gezond.

1vertaling van Harry Pals
2de tegenwoordige tijd die er staat is vertellend passend
3de BGT wil niet van `volgen´ weten, is ook een moeilijk woord en nog moeilijker daad…
4de sabbat is altijd echt een gebeurtenis in de Joodse traditie!
5letterlijk; het moet heel heftig zijn geweest, meer dan `erg verbaasd´ (BGT)
6zo NBV; de BGT mist `gegeven'
7de NBV én BGT maken er `wonderen´ van, en missen daarmee de pointe
8weer dat `geschieden´; vragen als uitroepen
9weer heel letterlijk; de BGT parafraseert onnodig met `… wilden niets met hem te maken hebben´
10jammer dat de NBV het woord `eer´ mist
11de NBV laat het voorvoegsel `vader-` weg
12zelfde stam als in `machtsdaad´
13NBV en BGT weer `wonder´
14vertaling van Klaas Eldering
15vertaling van Joep Dubbing
16vertaling van Gerda van Deelen
17D.w.z. huis van vis
18hier wordt een imperfectum gebruikt, de voorafgaande aoristi koppel ik hieraan